ECLI:NL:CRVB:2018:3579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en onduidelijke autowaarde
Appellanten ontvingen bijstand vanaf juli 2012, waarbij vanaf mei 2013 gezamenlijke bijstand werd verstrekt. Tijdens een periodiek onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand werden kasstortingen op de bankrekening van appellant geconstateerd die niet waren gemeld aan het college. Een sociaal rechercheur voerde nader onderzoek uit, leidend tot besluiten tot opschorting, herziening en terugvordering van bijstand.
Het college stelde dat kasstortingen die direct herleidbaar waren tot contante geldopnames van de rekening van appellante niet als inkomen werden aangemerkt, maar overige stortingen wel. Tevens werd terugvordering toegepast over een periode waarin appellant een auto op zijn naam had staan, omdat geen informatie over de waarde van de auto was verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten in hoger beroep stelden dat het college onterecht kasstortingen als inkomen had aangemerkt en dat de terugvordering over april 2015 niet op juiste wijze was gebaseerd. De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat alle kasstortingen herleidbaar waren tot eerdere opnames en dat het college bevoegd was de terugvordering over april 2015 op dezelfde grondslag te baseren als het primaire besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en verwierp het hoger beroep, waarmee de terugvordering en de hoogte daarvan gehandhaafd bleven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.