Uitspraak
16.6110 WWB
OVERWEGINGEN
BESLISSING
besluit voor zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 1.750,-;
in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 juni 2016;
van € 124,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving sinds 2010 een WWB-uitkering en had eerder een periode bijstand ontvangen die was ingetrokken wegens een erfenis. In 2012 beschikte appellant over meerdere bankrekeningen, waaronder een Argenta-rekening met een saldo boven de vermogensgrens. Het college stelde een onderzoek in nadat bleek dat appellant deze rekeningen niet had gemeld, ondanks herhaaldelijke verzoeken om inlichtingen.
Het college legde een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht en stelde aanvankelijk grove schuld vast, wat leidde tot een boete van 75% van het benadelingsbedrag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze boete ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat appellant weliswaar verwijtbaar handelde door de bankrekening niet te melden, maar dat de handelwijze niet de kwalificatie van grove schuld verdient. De eerdere kennis van de appellant over de meldplicht van erfenissen en het niet volledig verstrekken van informatie in 2014 rechtvaardigen dit niet. De Raad stelde de boete daarom vast op 50% van het benadelingsbedrag, rekening houdend met de draagkracht van appellant.
De Raad vernietigde het eerdere besluit over de hoogte van de boete, stelde de boete vast op €1.195,87 en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en het eerdere oordeel van grove schuld verworpen.
Uitkomst: De boete wegens niet-melding van bankrekeningen wordt vastgesteld op €1.195,87 wegens normale verwijtbaarheid, grove schuld wordt verworpen.