Uitspraak
16.3549 WWB, 16/5525 WWB, 16/5526 WWB
14 april 2016, 15/3317 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Na een onderzoek ontstond het vermoeden dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde, wat zij niet had gemeld. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug. De rechtbank vernietigde deze besluiten, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel dat sprake was van gezamenlijke huishouding en dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden.
De Raad oordeelt dat appellant vanaf juli 2014 hoofdzakelijk bij appellante verbleef, ondanks zijn eigen woning en de tijdelijke aard van de situatie vanwege ziekte van hun zoon. Hierdoor was sprake van gezamenlijke huishouding en was het niet melden daarvan een schending van de wettelijke verplichting. Het beroep op het recht op aanvullende bijstand faalt omdat appellant zelfstandige was.
Verder is de terugvordering van de langdurigheidstoeslag deels terecht, hoewel de rechtbank terecht opmerkte dat het college niet voldoende had onderzocht op welke periode deze toeslag betrekking had. De kostenvergoeding voor bezwaar is terecht verrekend met de terugvordering. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand met terugvordering bevestigd.