Uitspraak
17.4840 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van griffierecht in een procedure bij de rechtbank Rotterdam. Het Drechtstedenbestuur wees deze aanvraag af omdat appellant de noodzaak van de procedure niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de procedure wel noodzakelijk was. De Raad oordeelde dat bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend voor noodzakelijke kosten die niet uit andere middelen kunnen worden voldaan. Omdat appellant geen toevoeging voor rechtsbijstand had, moest hij de noodzaak van de procedure voldoende onderbouwen.
De Raad overwoog dat het griffierecht betrekking had op een bestuursrechtelijke procedure over inzage in het dossier van zijn biologische dochter. Dit verzoek viel onder de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens, en het bestuursorgaan had geen besluit genomen waartegen beroep openstond. De bestuursrechter was daarom onbevoegd. Hierdoor waren de griffierechtkosten niet noodzakelijk en kon bijzondere bijstand niet worden toegekend.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor griffierechtkosten wordt bevestigd omdat de kosten niet noodzakelijk zijn.