ECLI:NL:CRVB:2018:1811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid CAK voor vaststelling bijdrage maatwerkvoorziening Wmo 2015 bevestigd
Betrokkene ontving een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wmo 2015 en moest daarvoor een bijdrage betalen die door het CAK werd vastgesteld. Betrokkene maakte bezwaar tegen de hoogte van deze bijdrage, stellende dat deze onredelijk hoog was, mede vanwege fiscale gevolgen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het college niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit van het CAK over de bijdrage wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de delegatie van het vaststellen van de bijdrage. Het CAK stelde daarop hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de Wmo 2015 en het Uitvoeringsbesluit CAK wel degelijk de bevoegdheid geven om de hoogte van de bijdrage vast te stellen, binnen de grenzen van de maximale periodebijdrage en de kostprijs van de voorziening. De Raad benadrukte de bevoegdheidsverdeling waarbij het college beslist over de verschuldigdheid van de bijdrage en CAK de hoogte vaststelt en int.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd ingetrokken. De Raad verklaarde het beroep tegen het besluit van CAK ongegrond, omdat bezwaren over de verschuldigdheid van de bijdrage bij het college moeten worden aangevochten. Het hoger beroep van CAK werd gegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze het beroep tegen het CAK-besluit betrof.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het besluit van het CAK over de hoogte van de bijdrage wordt ongegrond verklaard.