ECLI:NL:CRVB:2018:16

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 januari 2018
Publicatiedatum
2 januari 2018
Zaaknummer
16/4825 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 PWArt. 16 PWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens verblijf buitenland zonder zeer dringende redenen

Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op basis van de Participatiewet. Na het overlijden van zijn vader verbleef appellant van 6 tot 16 oktober 2015 in Turkije om de begrafenis bij te wonen. Het college trok de bijstand over deze periode in omdat zij langer dan vier weken buiten Nederland verbleven, wat volgens artikel 13 van Pro de Participatiewet het recht op bijstand uitsluit.

De rechtbank vernietigde het besluit deels en bepaalde dat de bijstand van appellant moest worden omgezet naar een alleenstaande norm voor zijn echtgenote, omdat niet was gebleken dat zij in het buitenland verbleef. Appellant stelde in hoger beroep dat de regeling niet van toepassing is bij noodzakelijk verblijf in het buitenland en dat er zeer dringende redenen waren volgens artikel 16 van Pro de Participatiewet en artikel 8 EVRM Pro.

De Raad oordeelde dat de reden van het verblijf niet relevant is voor het recht op bijstand en dat het bijwonen van de begrafenis geen acute noodsituatie of zeer dringende reden vormt. De situatie was niet levensbedreigend en appellant kon in Turkije voorzien in zijn levensonderhoud. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland zonder zeer dringende redenen.

Uitspraak

16.4825 PW

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
10 juni 2016, 16/1174 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Datum uitspraak: 2 januari 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.D.S. Doelam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017. Namens appellant is mr. Doelam verschenen. Het college heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant en zijn echtgenote ontvangen vanaf 27 mei 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. In verband met het overlijden van zijn vader op 4 oktober 2015 en het bijwonen van de begrafenis heeft appellant in de periode van
6 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 in Turkije verbleven.
1.2.
Bij besluit van 23 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant en zijn echtgenote in de periode van 7 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 (periode in geding) ingetrokken. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant en zijn echtgenote in die periode geen recht op bijstand hebben omdat zij, gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW, in het kalenderjaar 2015 langer dan vier weken verblijf hebben gehouden buiten Nederland.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de bijstand van appellant en zijn echtgenote naar de gehuwdennorm over de periode in geding moet worden omgezet naar bijstand voor de echtgenote van appellant naar de norm voor een alleenstaande. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het college op goede gronden heeft bepaald dat appellant over de periode in geding geen recht had op bijstand. De rechtbank heeft voorts overwogen dat uit de gedingstukken en de nadere toelichting ter zitting niet is gebleken dat de echtgenote van appellant in de periode in geding in het buitenland heeft verbleven.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het de onder 2 vermelde omzetting van de bijstandsnorm betreft. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW zo uitgelegd dient te worden dat deze bepaling slechts gelding heeft voor bijstandsgerechtigden die vrijwillig naar het buitenland gaan en niet - zoals in zijn geval - indien sprake is van een noodzakelijk verblijf in het buitenland. Indien dat anders is, dient artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW in het geval van appellant buiten toepassing te worden gelaten op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er waren zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van Pro de PW om in de periode in geding in Turkije te verblijven.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.
4.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - als volgt overwogen, waarbij appellant als eiser en het college als verweerder is aangeduid:
“4.3 Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer zijn uitspraken van 14 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3386) en van 15 juni 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK3316) is de reden van het langer dan toegestane verblijf buiten Nederland voor de beoordeling van het recht op bijstand niet van belang.
4.4
Uit die rechtspraak van de CRvB volgt dat het enkele feit dat de vader van eiser in Turkije is begraven en eiser die begrafenis - hoe begrijpelijk ook - wilde bijwonen en ook heeft bijgewoond, op zichzelf bezien niet kan leiden tot een recht op bijstand.”
4.3.
De rechtbank heeft vervolgens de vraag of sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW als volgt beantwoord:
“4.6 Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 30 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3175) dient bij toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie, een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben, en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
(…)
4.8
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in wat eisers hebben aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat ten aanzien van hen dergelijke redenen aanwezig waren. De rechtbank overweegt daartoe dat reeds omdat de redenen voor verblijf in Turkije niet eiser eigen (gezondheids)situatie betreffen, er geen reden is voor toepassing van artikel 16, eerste lid, van de PW. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de CRvB van 6 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1680). De CRvB heeft in diezelfde uitspraak voorts overwogen dat artikel 8 van Pro het EVRM niet zover strekt dat verweerder verplicht was eiser in staat te stellen om de uitoefening van het recht op gezinsleven mogelijk te maken gedurende de tijd dat hij vanwege de begrafenis van zijn vader in Turkije heeft verbleven. Verder geldt dat een noodsituatie als hier bedoeld feitelijk ook niet aan de orde was in deze zaak, nu eiser in Turkije middels hulp van daar woonachtige familieleden heeft kunnen voorzien in zijn levensbehoefte, zoals hij ter zitting heeft verklaard. Een acute noodsituatie als bedoeld in de uitspraak van de CRvB van 30 september 2014 deed zich dan ook niet voor. Van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van Pro de PW was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Hetgeen eisers hieromtrent hebben aangevoerd kan dan ook niet slagen.”
4.4.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 4.2 en 4.3 weergegeven, waarop dit oordeel rust. Hij voegt daar nog aan toe dat de bepaling in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW gelijkluidend is aan dezelfde bepaling in de
Wet werk en bijstand, zoals die luidde tot 1 januari 2015, en dat de jurisprudentie daarover haar betekenis onder de PW heeft behouden.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2018.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) J. Tuit

HD