ECLI:NL:CRVB:2018:16
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verblijf buitenland zonder zeer dringende redenen
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op basis van de Participatiewet. Na het overlijden van zijn vader verbleef appellant van 6 tot 16 oktober 2015 in Turkije om de begrafenis bij te wonen. Het college trok de bijstand over deze periode in omdat zij langer dan vier weken buiten Nederland verbleven, wat volgens artikel 13 van Pro de Participatiewet het recht op bijstand uitsluit.
De rechtbank vernietigde het besluit deels en bepaalde dat de bijstand van appellant moest worden omgezet naar een alleenstaande norm voor zijn echtgenote, omdat niet was gebleken dat zij in het buitenland verbleef. Appellant stelde in hoger beroep dat de regeling niet van toepassing is bij noodzakelijk verblijf in het buitenland en dat er zeer dringende redenen waren volgens artikel 16 van Pro de Participatiewet en artikel 8 EVRM Pro.
De Raad oordeelde dat de reden van het verblijf niet relevant is voor het recht op bijstand en dat het bijwonen van de begrafenis geen acute noodsituatie of zeer dringende reden vormt. De situatie was niet levensbedreigend en appellant kon in Turkije voorzien in zijn levensonderhoud. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland zonder zeer dringende redenen.