ECLI:NL:CRVB:2018:1069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW- en WAO-uitkering wegens ontbreken recht in 1997
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, meldde zich in februari 1996 ziek met rug- en urologische klachten. Een verzekeringsarts verklaarde hem in februari 1997 volledig arbeidsgeschikt, waarna zijn ZW-uitkering werd beëindigd en een WAO-uitkering werd geweigerd. In 2014 vroeg appellant herbeoordeling van zijn uitkeringsrecht, maar het UWV wees dit af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit van het UWV omdat geen hoorzitting was gehouden, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet correct geïnformeerd was en dat hij op grond van een medisch rapport uit 1996 recht had op een WAO-uitkering. De Raad oordeelde dat de arbeidsgeschiktheidsverklaring geen besluit is en dat appellant de besluiten over beëindiging en weigering had ontvangen.
De Raad verwierp het beroep van appellant omdat hij geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die herziening rechtvaardigen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant niet op de hoogte was van het rapport uit 1996. De aanvraag van appellant voldeed niet aan de eisen van artikel 4:6 Awb Pro. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.