ECLI:NL:CRVB:2017:879
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toekenning voorlopige toeslag bij toepassing kostendelersnorm met niet-rechthebbende partner en kinderen
Verzoeker, gehuwd met een niet-rechthebbende Bulgaarse partner en met twee minderjarige kinderen, ontving bijstand volgens de kostendelersnorm (50% van de gehuwdennorm) nadat het college het verblijfsrecht van zijn echtgenote had ingetrokken. Verzoeker stelde dat hij als alleenstaande ouder met een niet-rechthebbende partner geen kosten kan delen en vroeg bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder (90% van de gehuwdennorm).
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college niet zorgvuldig had onderzocht of een individuele afstemming op grond van artikel 18 PW Pro noodzakelijk was, ondanks de erkenning in de Memorie van Toelichting dat situaties kunnen verschillen. Ook had het college nagelaten bijzondere bijstand te overwegen, terwijl verzoeker geen aanvraag daarvoor had ingediend.
Hoewel M als EU-onderdaan rechtmatig verblijf kan verkrijgen door werk, was niet gebleken dat dit onmogelijk was. De voorzieningenrechter vond daarom onvoldoende grond om af te wijken van de kostendelersnorm, maar erkende de acute financiële noodsituatie van verzoeker en zijn kinderen.
Daarom werd een voorlopige voorziening getroffen waarbij het college vanaf 1 oktober 2016 een toeslag van 20% van de gehuwdennorm aan verzoeker moest verstrekken als voorschot op algemene of bijzondere bijstand, totdat op het hoger beroep uitspraak wordt gedaan. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het college moet vanaf 1 oktober 2016 een toeslag van 20% van de gehuwdennorm aan verzoeker verstrekken als voorlopige voorziening.