ECLI:NL:CRVB:2017:464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over intrekking persoonsgebonden budget en terugvordering wegens onvoldoende motivering
Appellante, houdster van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de AWBZ, heeft een geschil met het Zorgkantoor Friesland over de besteding van het pgb en de verantwoording daarvan. Het Zorgkantoor keurde de verantwoording over de eerste helft van 2013 af en trok het pgb voor 2014 in, met terugvordering van voorschotten, omdat het pgb niet zou zijn besteed aan AWBZ-zorg. Appellante had het pgb betaald aan haar dochter, die de feitelijke zorg had uitbesteed aan een derde, wat volgens het Zorgkantoor niet als AWBZ-zorg kwalificeert.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelt appellante dat de zorgverlening door de derde namens haar dochter is uitgevoerd, conform de zorgovereenkomst, en dat het Zorgkantoor in eerdere jaren akkoord was met deze opzet. De Raad beoordeelt dat het organiseren van zorg door de dochter geen AWBZ-zorg is en dat de verantwoording over 2013 niet rechtvaardigt dat het pgb voor 2014 wordt ingetrokken. De intrekking en terugvordering zijn onvoldoende gemotiveerd omdat niet is vastgesteld of de vermeende tekortkomingen zich in 2014 voortzetten.
De Raad draagt het Zorgkantoor op het gebrek in het besluit te herstellen binnen zes weken. Hierdoor kan het geschil definitief worden beslecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het pgb voor 2014 en de terugvordering is onvoldoende gemotiveerd en het Zorgkantoor wordt opgedragen het besluit te herstellen.