ECLI:NL:CRVB:2017:3643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en boete bij niet melden van inkomsten bij bijstandontvanger
Appellante ontving bijstand sinds 2010 en had twee bankrekeningen waarop periodieke stortingen werden gedaan die zij niet meldde bij het dagelijks bestuur. Dit leidde tot herziening en terugvordering van de bijstand over de periode 2010-2014 en een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Raad de herziening en terugvordering omdat appellante haar inlichtingenplicht objectief heeft geschonden door de stortingen niet te melden, ongeacht verwijtbaarheid.
Ten aanzien van de boete oordeelt de Raad dat verwijtbaarheid wel relevant is en dat appellante ondanks haar persoonlijke omstandigheden en taalproblemen verwijtbaar heeft gehandeld. De hoogte van de boete is echter onjuist berekend; deze moet worden gebaseerd op het benadelingsbedrag. De Raad vernietigt de eerdere boetebeschikking en stelt de boete vast op €1.048,57.
Daarnaast veroordeelt de Raad het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 oktober 2017.
Uitkomst: Herziening en terugvordering bijstand bevestigd, boete vernietigd en vastgesteld op €1.048,57.