ECLI:NL:CRVB:2017:2715
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering en boete bij bijstandsverlening wegens niet-melden op geld waardeerbare activiteiten
Appellante ontving bijstand van twee gemeenten en huurde een bedrijfspand waar een hennepkwekerij werd aangetroffen. Zij meldde deze activiteiten niet, waardoor de gemeenten de bijstand introkken en terugvorderden. Tevens legden zij boetes op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van appellante, met name matiging van de boete wegens verminderde verwijtbaarheid. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering door college 1, oordeelt dat appellante de inlichtingenverplichting objectief heeft geschonden en dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld door het ontbreken van administratie.
De Raad erkent de cognitieve beperkingen van appellante, maar acht deze onvoldoende om de boete geheel te laten vervallen. De boete wordt vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag, met matiging tot een bedrag dat binnen zes maanden kan worden afgelost. Voor college 2 wordt de boete verlaagd van €903,32 naar €589,67. De Raad veroordeelt college 2 in de proceskosten en bepaalt vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: De Raad bevestigt intrekking en terugvordering bijstand en matigt de boete tot €589,67 wegens verminderde verwijtbaarheid en draagkracht.