ECLI:NL:CRVB:2017:251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inboedel na detentie en echtscheiding
Appellant, na detentie en echtscheiding, vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van essentiële inboedelgoederen die verdwenen waren nadat zijn ex-partner deze zonder overleg had meegenomen. Het college wees de aanvraag af omdat appellant volgens hen had kunnen reserveren en geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren.
De rechtbank vernietigde het besluit deels vanwege onvoldoende motivering over de echtscheiding als bijzondere omstandigheid, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant vrijwillig had ingestemd met de boedelscheiding. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij niet kon reserveren vanwege schulden en dat de echtscheiding bijzondere omstandigheden opleverde.
De Raad oordeelde dat de echtscheiding en feitelijke boedelscheiding geen bijzondere omstandigheden vormden omdat appellant onvoldoende onderbouwde dat hij geen compensatie kon bedingen. Ook het argument dat de bijstandsnorm onvoldoende was om te reserveren faalde, mede vanwege het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro. Verder was het ontbreken van reserveringsruimte door schulden volgens vaste rechtspraak geen bijzondere omstandigheid. De Raad concludeerde dat appellant voldoende tijd had om te reserveren en dat schulden niet aantoonbaar door het college waren veroorzaakt.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.