ECLI:NL:CRVB:2017:2494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- M. ter Brugge
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing overgangsrecht en kostendelersnorm bij co-ouderschap in bijstand
Appellant ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar sinds medio 2014 is er sprake van co-ouderschap waarbij zijn zoon meerdere dagen per week bij zijn ex-partner verblijft. Het college paste de bijstand aan naar de norm voor een alleenstaande en voerde de kostendelersnorm niet toe, omdat appellant de kosten niet kan delen.
Appellant stelde dat hij nog steeds meer dan de helft van de zorgtaken vervult en daarom recht heeft op het overgangsrecht van de Wet hervorming kindregelingen tot 1 januari 2016. Tevens betoogde hij dat het college een maatwerkoplossing had moeten bieden vanwege het niet meewerken van zijn ex-partner aan de verdeling van het kindgebonden budget.
De Raad oordeelde dat appellant geen volledige zorg heeft en daarom niet als alleenstaande ouder kan worden aangemerkt volgens de Participatiewet. Het overgangsrecht is niet op hem van toepassing. Daarnaast is het aan appellant en zijn ex-partner om afspraken te maken over het kindgebonden budget; het college hoeft geen financiële compensatie te bieden. De terugvordering van bijstand over januari 2015 behoeft geen nadere bespreking omdat appellant daartegen geen zelfstandige beroepsgronden aanvoerde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.