ECLI:NL:CRVB:2017:1811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde hennepkwekerij
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet. In haar woning werd op 27 mei 2015 een hennepkwekerij met 202 planten aangetroffen. Het college trok de bijstand over de periode van 1 april 2014 tot 27 mei 2015 in en vorderde de kosten terug. Na gedeeltelijke herziening bleef de intrekking en terugvordering gehandhaafd over een iets kortere periode.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet zelf de kwekerij exploiteerde en dat zij de zolder had verhuurd zonder kennis van de kwekerij. Zij stelde ook dat de terugvordering onredelijk was vanwege haar schrijnende financiële situatie en het feit dat zij slachtoffer was van georganiseerde criminaliteit.
De Raad oordeelde dat het aantreffen van de kwekerij in haar woning de veronderstelling rechtvaardigt dat appellante exploitant was, wat zij niet aannemelijk heeft kunnen weerleggen. De wettelijke inlichtingenplicht was geschonden door het niet melden van de kwekerij. Opzet speelt geen rol bij deze objectieve verplichting. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet aannemelijk gemaakt, mede omdat appellante bescherming geniet via de beslagvrije voet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten over de betreffende periode en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van de kosten wegens niet gemelde hennepkwekerij worden bevestigd.