ECLI:NL:CRVB:2017:645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen exploitatie hennepkwekerij
Appellante ontving bijstand sinds februari 2012. In februari 2013 trof de politie in haar woning een in werking zijnde hennepkwekerij aan met 79 planten en bijbehorende apparatuur. Het college startte een onderzoek en besloot in juli 2015 de bijstand over de periode van april 2012 tot februari 2013 in te trekken en de kosten terug te vorderen wegens het verzwegen van inkomsten uit de hennepkwekerij.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de kwekerij niet exploiteerde en geen voordeel had genoten, en wees op haar vrijspraak voor het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht in strafrechtelijke zin. Ook stelde zij dat de exploitatie pas kort voor de ontdekking was gestart.
De Raad oordeelde dat het verzwegen van de exploitatie een objectieve schending van de inlichtingenplicht vormt, los van strafrechtelijke opzet. De aanwezigheid van de kwekerij rechtvaardigt het vermoeden dat appellante exploitant was en inkomsten genoot. Appellante slaagde er niet in dit te ontkrachten met objectief bewijs. Het college mocht uitgaan van een exploitatie vanaf april 2012, gebaseerd op rapportages over meerdere oogsten, vondsten van hennepresten en een hoog stroomverbruik.
De Raad bevestigde dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en de kosten heeft teruggevorderd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellante werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.