Appellante vroeg op 28 februari 2008 een WIA-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen op basis van een arbeidskundige rapportage waarin werd geconcludeerd dat zij niet meer haar oude werk kon verrichten maar wel een aantal geselecteerde functies, zoals portier en wikkelaar, met een urenomvang van minimaal 30 uur per week.
Na ziekmelding ontving appellante een Ziektewetuitkering, die het UWV op 10 december 2012 beëindigde omdat zij volgens nieuwe medische rapporten ten minste twee van de geselecteerde functies kon vervullen. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna zij beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij door een ribcontusie niet kon werken en dat de urenomvang van 24 uur per week onjuist was, omdat zij altijd 32 uur werkte. Het UWV verdedigde het standpunt dat functies ook in kleinere omvang voorkomen en dat deze als maatstaf gelden.
De Raad oordeelde dat de maatstaf arbeid in de Ziektewetbeoordeling moet aansluiten bij de functies geselecteerd bij de eerdere WIA-beoordeling inclusief de urenomvang daarvan. Het UWV mocht niet opnieuw functies selecteren. Omdat appellante niet in staat is één van de oorspronkelijk geselecteerde functies te vervullen, konden het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak, herroept het besluit van 10 december 2012 en kent appellante wettelijke rente en een vergoeding van kosten toe.