ECLI:NL:CRVB:2016:4425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met hoofdbewoonster
Appellant diende op 20 mei 2014 een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB en gaf aan als kostganger in te wonen bij de hoofdbewoonster S op een adres in De Friese Meren. Na een huisbezoek en onderzoek concludeerde het college dat appellant en S een gezamenlijke huishouding voeren. Het college wees de aanvraag bij besluit van 17 juli 2014 af, wat bij bezwaar werd gehandhaafd.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de relatie met S puur zakelijk was en dat de situatie tijdelijk was. De Raad oordeelde echter dat appellant en S aan de objectieve criteria voor een gezamenlijke huishouding voldoen, waaronder het delen van huishoudelijke taken, gebruik van elkaars diensten en een financiële verstrengeling die verder gaat dan alleen het delen van woonlasten.
De Raad verwierp het verweer dat de vergoeding van €300,- een zakelijke vergoeding was en stelde dat dit een bijdrage in de kosten van de huishouding betreft. Ook het argument dat de situatie tijdelijk was, werd niet gevolgd omdat appellant sinds eind 2011 bij S verblijft. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen omdat hij met de hoofdbewoonster een gezamenlijke huishouding voert.