Appellante ontving pensioenoverzichten waarin bepaalde periodes werden aangemerkt als niet verzekerd voor de AOW, omdat zij in die tijden in Duitsland werkzaam was en de Duitse wetgeving van toepassing was. Zij maakte bezwaar tegen het overzicht van mei 2012, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het pensioenoverzicht van januari 2012 onherroepelijk vaststond omdat er geen bezwaar tegen was gemaakt.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet wist dat bezwaar mogelijk was omdat het overzicht geen bezwaarclausule bevatte en dat zij ongelijk werd behandeld ten opzichte van mensen die digitaal hun pensioenoverzicht raadplegen. Ook verwees zij naar prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie als nieuwe omstandigheid.
De Raad overwoog dat het ontbreken van een bezwaarclausule niet automatisch leidt tot verschoonbaarheid van het niet tijdig indienen van bezwaar, en dat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat het om een besluit ging. De ongelijkheid met digitale raadpleging werd verworpen omdat dit geen gelijke gevallen betreft.
De Raad stelde vast dat het besluit van januari 2012 rechtens vaststaat, maar dat de Sociale Verzekeringsbank zich ten onrechte heeft beperkt tot nieuwe feiten of omstandigheden bij herhaalde aanvragen. De Raad oordeelde dat de SVB ook terug kan komen op een rechtens onaantastbaar besluit indien dit onmiskenbaar onjuist is, en dat appellante gedurende de betwiste periodes als verzekerd moet worden aangemerkt.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg de SVB op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de SVB veroordeeld in de proceskosten van appellante.