Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2037

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4626 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Wolleswinkel
  • R. Kooper
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbaarheid

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een inhouding op zijn bezoldiging terug te betalen en hem terug te plaatsen in zijn oude functie. Het college wees dit verzoek bij besluit af. Appellant diende vervolgens een bezwaarschrift in tegen dit besluit, maar deed dit na de wettelijke termijn van zes weken.

De rechtbank stelde vast dat appellant de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift had overschreden en oordeelde dat deze overschrijding niet verschoonbaar was. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit van 16 maart 2004, waarbij het bezwaar ongegrond was verklaard.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat het ontbreken van een bezwaarclausule onder het primaire besluit niet automatisch leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Bovendien had appellant uit de inhoud van het besluit redelijkerwijs kunnen afleiden dat het een besluit betrof waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Het feit dat appellant dit pas na een tweede lezing inzag, kon niet tot verschoonbaarheid leiden.

De Raad besloot het hoger beroep ongegrond te verklaren en wees een vergoeding van proceskosten af. Hiermee blijft de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar in stand.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn zonder verschoonbaarheid.

Uitspraak

05/4626 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juni 2005, 04/1589 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: college)
Datum uitspraak: 2 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft voor zijn verweer verwezen naar hetgeen het als verweer bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.
Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij brief van 22 mei 2003 heeft appellant het college verzocht een bepaalde inhouding op zijn bezoldiging alsnog aan hem uit te betalen en hem terug te plaatsen in zijn (oude) functie.
1.2. Bij besluit van 13 augustus 2003 heeft het college deze verzoeken afgewezen.
1.3. Bij besluit van 16 maart 2004 heeft het college het bezwaarschrift van appellant van 29 september 2003 tegen het besluit van 13 augustus 2003 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geconstateerd dat appellant bij het indienen van zijn bezwaarschrift de daarvoor wettelijk gestelde termijn van zes weken heeft overschreden.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze overschrijding niet verschoonbaar te achten. Dit heeft de rechtbank ertoe gebracht het besluit van 16 maart 2004 te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk te verklaren.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de vaste jurisprudentie van de Raad inhoudt dat het enkele ontbreken van een bezwaarclausule onder een primair besluit niet zonder meer leidt tot het aannemen van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
Verder is van belang dat appellant uit de inhoud van het primaire besluit van 13 augustus 2003 redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat dit een besluit betrof (waartegen hij bezwaar kon maken). Appellant heeft dit in feite ook begrepen, zij het dat dit pas na een tweede lezing van het besluit het geval was. Dat dit laatste ertoe heeft geleid dat hij zijn bezwaar niet tijdig heeft ingediend, moet voor zijn rekening blijven.
3.2. De Raad wijst er nog op dat de rechtbank de ontvankelijkheidsvraag overeenkomstig de eisen die aan een behoorlijke procesvoering dienen te worden gesteld op de zitting aan de orde heeft gesteld.
3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 november 2006.
(get.) J.Th. Wolleswinkel.
(get.) O.C. Boute.
HD
12.1