ECLI:NL:CRVB:2016:1357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens werkzaamheden in hennepkwekerij
Appellant ontving een WW-uitkering en toeslag, later gevolgd door een Ziektewetuitkering met toeslag. In zijn woning werd een hennepkwekerij aangetroffen, waarna het Uwv concludeerde dat appellant tussen 1 januari en 15 mei 2012 werkzaamheden verrichtte in de kwekerij en daarom geen recht had op uitkeringen over die periode. Het Uwv trok de uitkeringen met terugwerkende kracht in en vorderde bedragen terug.
De rechtbank vernietigde het besluit gedeeltelijk, oordeelde dat appellant zijn werknemerschap had verloren door zelfstandige werkzaamheden in de kwekerij, maar stelde de aanvang van deze werkzaamheden op 19 maart 2012. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij geen werkzaamheden had verricht, slechts een ruimte ter beschikking had gesteld, en dat hij door de politierechter was vrijgesproken van overtreding van de inlichtingenplicht.
De Raad nam het politieproces-verbaal als uitgangspunt en oordeelde dat appellant betrokken was bij de kwekerij en gedurende minimaal 32 uur in de week van 19 maart 2012 als zelfstandige had gewerkt, waardoor hij zijn werknemerschap verloor. Het Uwv had de uitkeringen terecht ingetrokken omdat appellant zijn werkzaamheden niet had gemeld. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de uitkeringen terecht zijn herzien en teruggevorderd wegens niet gemelde zelfstandige werkzaamheden in een hennepkwekerij.