ECLI:NL:CRVB:2016:1305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Biologische vader geen belanghebbende bij indicatiebesluit minderjarige zonder ouderlijk gezag
Appellant, de biologische vader van een minderjarige die bij pleegouders woont en van wie hij het ouderlijk gezag is ontnomen, maakte bezwaar tegen een indicatiebesluit voor jeugdhulp. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat appellant geen belanghebbende was in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat appellant geen belanghebbende is omdat zijn belang niet rechtstreeks bij het besluit betrokken is, nu hij niet langer het ouderlijk gezag heeft en het besluit uitsluitend betrekking heeft op zorg voor de minderjarige.
Appellant voerde aan dat hij als biologische vader wel belanghebbende moest zijn, verwijzend naar civiele jurisprudentie en lopende procedures om het gezag te herstellen, maar deze argumenten werden verworpen. Ook het beroep op het EVRM en het gelijkheidsbeginsel slaagde niet. De Raad concludeerde dat het college als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg bevoegd is en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen belanghebbende is en verklaart het hoger beroep ongegrond.