Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1989

Gerechtshof Leeuwarden

Datum uitspraak
20 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.098.729/01 en 200.098.731/01
Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 1:254 BWArt. 1:261 BWArt. 1:263 lid 2 BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vader niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige

De minderjarige is direct na geboorte uithuisgeplaatst en onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg (BJZ). De vader heeft het kind erkend, maar oefent geen gezag uit en heeft niet in gezinsverband met het kind gewoond of het verzorgd.

De vader stelde hoger beroep in tegen de beschikkingen van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing hadden bevolen. Het hof beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Op grond van artikel 798 lid 1 Rv Pro kunnen slechts gezagsbelanghebbenden, pleegouders, het kind zelf (vanaf 12 jaar), BJZ, de raad voor de kinderbescherming en het openbaar ministerie als belanghebbenden worden aangemerkt. De vader valt hier niet onder omdat hij geen gezagsbelanghebbende is en niet met het kind heeft samengewoond.

Het feit dat de vader het kind heeft erkend en in eerste aanleg als belanghebbende werd aangemerkt, verandert hier niets aan. Het hof verklaart daarom het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk en bekrachtigt de bestreden beschikkingen.

Uitkomst: De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind.

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 maart 2012
Zaaknummers: 200.098.729 & 200.098.731
HET GERECHTSHOF LEEUWARDEN
Beschikking in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. G. Palanciyan, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
Bureau Jeugdzorg Flevoland,
kantoorhoudende te Lelystad,
hierna te noemen: BJZ,
en
de Raad voor de Kinderbescherming regio Friesland en Flevoland,
kantoorhoudende te Leeuwarden,
hierna te noemen: de raad.
en verder als belanghebbende:
[de moeder],
wonende te Lelystad,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. S. Guman te Amsterdam,
Het geding in eerste aanleg
Bij afzonderlijke beschikkingen, uitvoerbaar bij voorraad, van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden van 5 september 2011 (zaaknummers: 114230 / FJ RK 11-707 en 114611 / FJ RK 11-762) is de minderjarige [kind], geboren [in 2011] (hierna genoemd: de minderjarige en/of [kind]), onder toezicht gesteld van BJZ met ingang van 6 september 2011 tot
6 juni 2012 respectievelijk is machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [kind] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de periode van
6 september 2011 tot 6 juni 2012.
Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 2 december 2011, heeft de vader verzocht, voor zover van belang, die beschikkingen van 5 september 2011 te vernietigen en opnieuw beslissende de raad en BJZ niet-ontvankelijk te verklaren in hun inleidende verzoeken dan wel die verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.
Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 5 januari 2012, heeft BJZ het verzoek van de vader in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vader dan wel ongegrond verklaring van zijn verzoek in hoger beroep met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
Ter zitting van het hof op 12 maart 2012 is de zaak behandeld, gelijktijdig met het appel van de moeder tegen de bestreden beschikkingen (zaaknummers 200.098.727 & 200.098.350). Verschenen zijn:
- mr. Guman namens de moeder;
- mr. Palanciyan namens de vader;
- mw. A. Meeuwesen (gezinsvoogdes) namens BJZ; en
- dhr. H. van der Hoef namens de raad.
De beoordeling
De ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep
1. Ter beoordeling staan de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [kind], geldend van 5 september 2011 tot
6 juni 2012.
2. Alvorens tot inhoudelijke beoordeling van de maatregelen en de visie van de vader daarop te kunnen komen, dient het hof onder meer (ambtshalve) de ontvankelijkheid van de vader in het hoger beroep te beoordelen. Het hof is in dit verband van oordeel dat de vader niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen en overweegt daartoe het volgende.
3. De maatregel van ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel die door de kinderrechter kan worden uitgesproken indien aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1:254 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. De machtiging tot uithuisplaatsing is een uit de ondertoezichtstelling voortvloeiende maatregel, die geïndiceerd kan zijn indien de gronden bedoeld in artikel 1:261 BW Pro zich voordoen.
4. Uit de aard van de in geding zijnde maatregelen volgt dat enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen, dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (de pleegouders), zijn betrokken. Daarom kunnen in een geval als het onderhavige slechts als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden beschouwd - naast de instellingen en organen die ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW Pro de uithuisplaatsing kunnen verzoeken (het bij de ondertoezichtstelling betrokken bureau jeugdzorg, de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie) -: de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (zie art. 1:263 lid 2 BW Pro), onverminderd, in geval van een jonger kind, de toepassing van art. 1:377g BW. Daarnaast is het mogelijk dat een biologische vader als belanghebbende kan worden aangemerkt ingeval hij in gezinsverband met de minderjarige heeft samengewoond.
5. In het onderhavige geval staat vast dat de vader niet (mede) is belast met het gezag over de minderjarige [kind]. De vader heeft voorts nimmer in gezinsverband geleefd met de minderjarige [kind] of hem verzorgd. [kind] is vrijwel direct na zijn geboorte op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin ondergebracht.
6. Dit betekent dat de vader niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro kan worden beschouwd. Dat de vader [kind] heeft erkend en in eerste aanleg wel als belanghebbende is aangemerkt (waardoor hij overeenkomstig artikel 361 lid 1 Rv Pro in hoger beroep is opgeroepen), maakt dat niet anders. Ook overigens is geen belang in de zin als hier bedoeld gesteld of gebleken.
7. Het voorgaande betekent dat het hof de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de voormelde beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden van 5 september 2011.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en E.H. Schijven-Bours en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op
20 maart 2012 in bijzijn van de griffier.