ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1989
Gerechtshof Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vader niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige
De minderjarige is direct na geboorte uithuisgeplaatst en onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg (BJZ). De vader heeft het kind erkend, maar oefent geen gezag uit en heeft niet in gezinsverband met het kind gewoond of het verzorgd.
De vader stelde hoger beroep in tegen de beschikkingen van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing hadden bevolen. Het hof beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Op grond van artikel 798 lid 1 Rv Pro kunnen slechts gezagsbelanghebbenden, pleegouders, het kind zelf (vanaf 12 jaar), BJZ, de raad voor de kinderbescherming en het openbaar ministerie als belanghebbenden worden aangemerkt. De vader valt hier niet onder omdat hij geen gezagsbelanghebbende is en niet met het kind heeft samengewoond.
Het feit dat de vader het kind heeft erkend en in eerste aanleg als belanghebbende werd aangemerkt, verandert hier niets aan. Het hof verklaart daarom het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk en bekrachtigt de bestreden beschikkingen.
Uitkomst: De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind.