ECLI:NL:CRVB:2016:1230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek maatschappelijke opvang wegens ontbreken dakloosheid
Appellante, een vrouw met de Ghanese nationaliteit, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om maatschappelijke opvang voor zichzelf en haar zoon. Het college wees dit verzoek af omdat appellante en haar zoon niet dakloos waren en zij zich konden melden bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) voor opvang in een gezinsopvanglocatie (GOL).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, met het oordeel dat er geen sprake was van dakloosheid en dat de GOL van DT&V als voorliggende voorziening kon worden aangemerkt. Appellante stelde in hoger beroep dat zij recht had op minimale basisvoorzieningen en dat opvang via DT&V geen voorliggende voorziening was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat gedurende de relevante periode geen situatie van dakloosheid of concrete dreiging daarvan bestond. Appellante verbleef bij vrienden en kennissen en haar zoon bij haar zus. De Raad bevestigde dat appellante zich bij DT&V kon melden voor opvang en dat het niet willen gebruiken van deze opvang voor haar risico kwam. Daarmee was de afwijzing van het college in overeenstemming met een fair balance tussen publieke en particuliere belangen.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om maatschappelijke opvang is afgewezen wegens ontbreken van dakloosheid en beschikbaarheid van opvang via DT&V.