Appellant werkte van november 2008 tot maart 2010 in de bruidsmodewinkel van zijn nicht op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering omdat zij meende dat er geen gezagsverhouding bestond vanwege de familierelatie en dat appellant bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank onderschreef het standpunt van het UWV, verwijzend naar de familierelatie en de zorgafhankelijkheid van appellant, en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de gezagsverhouding wel aanwezig was, omdat appellant verplicht was arbeid te verrichten onder aanwijzingen van zijn nicht, ondanks haar rol als bewindvoerder en de familieband.
Daarnaast oordeelt de Raad dat er onvoldoende en ondubbelzinnige indicaties zijn dat appellant bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was, aangezien hij gedurende ruim zestien maanden zonder noemenswaardige uitval heeft gewerkt. De eerdere uitspraak wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is.