ECLI:NL:CRVB:2010:BN2339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- M. Greebe
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Beoordeling volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang WIA-verzekering voor schoonmaakwerk
Appellante is op 6 oktober 2004 begonnen met schoonmaakwerkzaamheden en werd daarmee verzekerd onder de WAO. Kort daarna werden ernstige polsklachten vastgesteld, waarvoor een operatie gepland stond. Na de operatie kon zij haar werk niet hervatten en ontving zij ziekengeld.
Het UWV stelde dat appellante bij aanvang van de verzekering al volledig arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering kon ontstaan. De rechtbank stelde vast dat er voldoende indicaties waren voor volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Appellante voerde aan dat zij ondanks haar klachten in staat was het werk te verrichten en dat volledige arbeidsongeschiktheid pas na de operatie ontstond.
De Raad overwoog dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid plaatsvindt op het moment van aanvang van de verzekering, ongeacht de verwachting dat de operatie klachten zou verminderen. De functionele beperkingen waren vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door een verzekeringsarts, en een arbeidsdeskundige concludeerde dat schoonmaakwerkzaamheden met deze beperkingen niet mogelijk waren.
Hoewel appellante zeven weken werkte, was dit onvoldoende om te concluderen dat zij geschikt was voor het werk. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat appellante bij aanvang van haar WAO-verzekering volledig arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering bestaat.
Uitkomst: Appellante was bij aanvang van haar WAO-verzekering volledig arbeidsongeschikt, waardoor geen recht op WIA-uitkering bestaat.