ECLI:NL:CRVB:2015:3358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong- en Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante had beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar Wajong- en Ziektewet-uitkering te weigeren wegens onvoldoende medische grondslag. De rechtbank Noord-Holland had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren en dat appellante niet meer dan 25% arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, met name over de toekomst en de zogenaamde Amber-situatie. Het UWV handhaafde haar standpunt dat een volledig onderzoek had plaatsgevonden en dat appellante niet arbeidsongeschikt was.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het eerdere oordeel gehandhaafd bleef, met name omdat de aanvullende medische gegevens niet adequaat waren onderzocht. Ook was er onduidelijkheid over de beoordeling van arbeidsongeschiktheid na 17 oktober 2011 in het kader van de Ziektewet.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in strijd was met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en droeg het UWV op binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen, zodat een definitieve beslissing kan worden genomen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit over de Wajong- en Ziektewet-uitkering binnen zes weken te herstellen wegens onvoldoende motivering.