ECLI:NL:CRVB:2015:3015

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2015
Publicatiedatum
4 september 2015
Zaaknummer
14-669 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMWet maatschappelijke ondersteuningVreemdelingenwet 2000Art. 6:19 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang voor uitgeprocedeerde vreemdeling

Appellante, afkomstig uit Tibet en uitgeprocedeerd in haar asielaanvragen, vroeg bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam maatschappelijke opvang aan op grond van de Wmo. Het college wees deze aanvraag af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden, met name omdat zij geen feitelijke dakloosheid had.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellante onderdak had bij vrienden en kennissen. In hoger beroep benadrukte appellante haar uitzichtloze situatie en haar afhankelijkheid van hulp, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van de toen geldende wet- en regelgeving en vaste jurisprudentie geen positieve opvangplicht voor het college bestond.

De Raad stelde vast dat de relevante beoordelingsperiode liep van de aanvraag op 23 augustus 2012 tot de beslissing op bezwaar van 14 februari 2013. Gedurende deze periode was er geen sprake van dakloosheid of dreiging daarvan, omdat appellante onderdak had binnen de Tibetaanse gemeenschap. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang bevestigd.

Uitspraak

14/669 WMO
Datum uitspraak: 2 september 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 december 2013, 13/1145 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, mr. J. Sprakel en mr. Klaas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T. ’t Jong en mr. H. Joutay.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren [in] 1983, is afkomstig uit Tibet en is in 2008 Nederland binnengekomen. Zij heeft tweemaal een aanvraag om een verblijfsvergunning gedaan, maar deze is beide keren afgewezen. Appellante is uitgeprocedeerd en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.
1.2.
Op 23 augustus 2012 heeft appellante bij het college een aanvraag ingediend voor onder meer maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 25 september 2012 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 14 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2012 ongegrond verklaard, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo. Hierbij heeft het college zich onder meer op het standpunt gesteld dat er bij appellante geen sprake is van feitelijke dakloosheid en dat dit een eventuele aanspraak op maatschappelijke opvang in de weg staat.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat appellante feitelijk onderdak heeft gehad bij vrienden en kennissen.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In hoger beroep heeft appellante benadrukt dat haar situatie uitzichtloos is, dat ze afhankelijk is van de hulp van een gezin en dat ze bang is dat deze hulp zal ophouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Niet in geschil is dat appellante op grond van het bepaalde in de Wmo en de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang. In zijn uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, heeft de Raad uiteengezet hoe de bevoegdheden terzake van de opvang van vreemdelingen verdeeld zijn sinds de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
22 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2099, 10 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:86, en 24 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:722. Ingevolge de uitspraak van de Raad van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, geldt deze bevoegdheidsverdeling voor aanvragen om maatschappelijke opvang die gedaan zijn na 24 februari 2014, omdat de nieuwe verdeling toen voldoende vaste vorm had aangenomen en aanvragers daarmee voor die tijd niet bekend konden zijn. Dit betekent dat op de beoordeling van de aanspraken van appellante nog het recht van toepassing is, zoals dat voor de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014 gold.
4.2.
De Raad is op grond van het navolgende van oordeel dat in de situatie van appellante geen sprake is van een situatie waarbij voor het college de positieve verplichting geldt om appellante op basis van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opvang te bieden.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de periode van belang de periode van 23 augustus 2012 tot en met 14 februari 2013 betreft. Gedurende deze periode is niet gebleken van een situatie van dakloosheid of concrete dreiging van dakloosheid bij appellante. Appellante heeft in die periode veelal de beschikking gehad over een kamer bij een Tibetaanse familie in [woonplaats] . Daarnaast kon ze verblijven op verschillende adressen binnen de Tibetaanse gemeenschap. Het college heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak ontbrak om appellante toe te laten tot de maatschappelijke opvang, dan wel om appellante leefgeld te verstrekken om zelf in opvang te kunnen voorzien.
4.4.
De Raad is van oordeel dat het hoger beroep geen betrekking heeft op het besluit van het college van 22 april 2015, nu dit ziet op een verzoek om maatschappelijke opvang over een andere periode, en daarmee niet valt onder het bereik van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.5.
Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) W. de Braal

AP