ECLI:NL:CRVB:2015:2096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellante ontving vanaf 15 december 1995 een WAO-uitkering en vroeg op 1 juni 2006 een toeslag aan op grond van de Toeslagenwet (TW). Bij het aanvraagformulier deed zij geen melding van haar overige inkomsten uit arbeidsongeschiktheidspensioen en WAO-hiaatverzekering. Het UWV kende een toeslag toe, maar trok deze later met terugwerkende kracht in omdat appellante boven het sociaal minimuminkomen uitkwam.
De rechtbank oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten weten dat zij ten onrechte toeslag ontving en dat het UWV verplicht was de toeslag terug te vorderen. De rechtbank verwierp ook het beroep op verjaring, omdat het UWV pas in 2013 over voldoende informatie beschikte om terugvordering in te stellen.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukte dat het UWV verplicht was de toeslag te herzien en terug te vorderen en dat geen dringende redenen waren om daarvan af te zien. De Raad volgde de beleidsregels van het UWV en bevestigde dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij ten onrechte toeslag ontving. Het beroep op verjaring en de subsidiaire vordering tot beperking van het terug te vorderen bedrag werden eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigde toeslag wordt bevestigd.