ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering verjaart na vijf jaar volgens BW
Appellant, voormalig hoofdbewaarder, kreeg een WAO-uitkering toegekend die later werd herzien en teruggevorderd door het Uwv. Het Uwv vorderde terugbetaling van onverschuldigde uitkeringen over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 maart 1999. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar, zoals bepaald in artikel 3:309 BW Pro, geldt voor terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkeringen. De termijn begint te lopen vanaf het moment dat het Uwv bekend is met de feiten die terugvordering rechtvaardigen. In dit geval was dat 18 april 1996, toen het Uwv een brief van de belastingdienst ontving over de inkomsten van appellant.
Omdat het eerste terugvorderingsbesluit pas op 1 juli 2003 werd genomen, was de terugvordering over betalingen vóór 1 augustus 1996 verjaard. Het besluit van 12 maart 2004, dat deze terugvordering handhaafde, kon daarom niet in stand blijven. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen, waarbij appellant tevens recht heeft op vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering over de periode vóór 1 augustus 1996 is verjaard en het besluit van 12 maart 2004 wordt vernietigd.