Uitspraak
OVERWEGINGEN
1 augustus 1996 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van appellante, waarvan appellante geen melding heeft gemaakt aan het college. Als gevolg daarvan is aan haar vanaf 1 augustus 1996 ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande verleend. Het college was daarom bevoegd de bijstand vanaf 1 augustus 1996 in te trekken. Voorts was het college bevoegd de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 december 2011 van appellante terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. Over de wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn geen gronden aangevoerd.