ECLI:NL:CRVB:2019:3941

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2019
Publicatiedatum
9 december 2019
Zaaknummer
18/968 WSF-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.5 Wsf 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering en oplegging bestuurlijke boete wegens niet-wonen op BRP-adres

Appellant ontving vanaf 1 mei 2016 studiefinanciering als uitwonende studerende. De minister liet in september en oktober 2016 een onderzoek uitvoeren naar de woonsituatie van appellant. Op basis van verklaringen van de hoofdbewoner en een buurman werd vastgesteld dat appellant niet op het BRP-adres woonde.

De minister herzag daarop de studiefinanciering met terugwerkende kracht tot 1 mei 2016 en vorderde €1.240,68 terug. Tevens werd een bestuurlijke boete opgelegd. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de minister verklaarde deze ongegrond.

De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de minister de bewijslast had voldaan met het onderzoek en de verklaringen. Appellant kon niet aantonen dat hij voorafgaand aan het onderzoek wel op het BRP-adres woonde. De Raad volgt dit oordeel en wijst het hoger beroep af, waarbij wordt benadrukt dat het achteraf intrekken van verklaringen weinig gewicht heeft.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de herziening en de boete.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van studiefinanciering en bestuurlijke boete blijven gehandhaafd.

Uitspraak

18.968 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2018, 17/2413 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 20 november 2019
Zitting heeft: J. Brand, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: S.L. Alves
Ter zitting zijn verschenen: appellant en drs. P.M.S. Slagter, als vertegenwoordiger van de minister.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is ter zitting van 20 november 2019 uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant ontving, voor zover van belang, vanaf 1 mei 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Op 21 september 2016 en 26 oktober 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.
2.1.
Bij besluit van 4 november 2016 heeft de minister op basis van de bevindingen van het onderzoek de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 mei 2016 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is een bedrag van € 1.240,68 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 9 december 2016 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd.
2.2.
Bij besluit van 18 april 2017 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren tegen de besluiten van 4 november 2016 en 9 december 2016 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat de minister heeft aangetoond dat appellant op het moment van het huisbezoek niet op het brp‑adres woonde. De door appellant overgelegde verklaringen tonen niet aan dat hij voorafgaand aan de controle wel op het brp-adres heeft gewoond.
4. Uitgangspunt bij de herziening is dat de bewijslast in eerste instantie op het bestuursorgaan rust. De minister moet aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Voor het toetsingskader bij een boete verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1877 en ECLI:NL:CRVB:2016:1878. De minister moet aantonen dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarden die in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 zijn gesteld.
5. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast met de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellant. In het bijzonder met de door de hoofdbewoner en de buurman tegenover de controleurs afgelegde verklaringen dat appellant op het moment van het onderzoek niet woonde op het brp-adres. Gelet op deze verklaringen was een onderzoek in de woning niet nodig. De in beroep ingebrachte nadere verklaringen geven geen aanleiding om niet uit te gaan van de aanvankelijk tegenover de controleurs afgelegde en zonder voorbehoud ondertekende verklaringen. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van de Raad van 13 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1657, komt aan het achteraf intrekken of ontkennen van dergelijke verklaringen weinig betekenis toe. De Raad ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Ook uit de door appellant overgelegde correspondentie blijkt niet dat hij ten tijde van de controle daadwerkelijk op het brp-adres woonde. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen reden tot twijfel.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd te ondertekenen. (getekend) J. Brand