ECLI:NL:CRVB:2019:3941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering en oplegging bestuurlijke boete wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellant ontving vanaf 1 mei 2016 studiefinanciering als uitwonende studerende. De minister liet in september en oktober 2016 een onderzoek uitvoeren naar de woonsituatie van appellant. Op basis van verklaringen van de hoofdbewoner en een buurman werd vastgesteld dat appellant niet op het BRP-adres woonde.
De minister herzag daarop de studiefinanciering met terugwerkende kracht tot 1 mei 2016 en vorderde €1.240,68 terug. Tevens werd een bestuurlijke boete opgelegd. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de minister verklaarde deze ongegrond.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat de minister de bewijslast had voldaan met het onderzoek en de verklaringen. Appellant kon niet aantonen dat hij voorafgaand aan het onderzoek wel op het BRP-adres woonde. De Raad volgt dit oordeel en wijst het hoger beroep af, waarbij wordt benadrukt dat het achteraf intrekken van verklaringen weinig gewicht heeft.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de herziening en de boete.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van studiefinanciering en bestuurlijke boete blijven gehandhaafd.