ECLI:NL:CRVB:2014:1254
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering gezinsbijstand wegens niet-melding inkomsten
Appellant en zijn partner ontvingen vanaf 14 januari 2003 gezinsbijstand op grond van de WWB. Het college van burgemeester en wethouders van Sluis herzag de bijstand over de periode 1 juni 2004 tot 7 november 2006 en vorderde ten onrechte verleende bijstand terug wegens niet-melding van inkomsten van de partner.
Na een onderzoek van de sociale recherche werd de gezinsbijstand vanaf 15 april 2010 ingetrokken en over de periode 14 januari 2003 tot 31 juli 2010 herzien, met terugvordering van €21.874,90 wegens niet-gemelde inkomsten uit werkzaamheden door appellant en zijn partner.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet op de hoogte was van de inkomsten van zijn partner en dat hij dacht dat de bijstand was stopgezet. De Raad verwierp deze gronden en bevestigde dat in gezinsbijstand beide partners als eenheid worden beschouwd, waardoor onbekendheid met elkaars inkomsten niet als verweer geldt.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot herziening en intrekking van de bijstand en tot terugvordering van de kosten, dat geen dringende redenen of bijzondere omstandigheden aanwezig waren om hiervan af te zien, en dat de ernstige chronische ziekte van appellant geen vrijwaring bood voor de schending van de inlichtingenplicht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van gezinsbijstand wegens niet-melding van inkomsten en wijst het hoger beroep af.