Uitspraak
18.1090 WIA
OVERWEGINGEN
1 juni 2017. Voorts is de vraag aan de orde of de functies geschikt zijn voor appellante, zowel in medische zin als in verband met haar slechte beheersing van de Nederlandse taal.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, die na een verkeersongeval arbeidsongeschikt raakte, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze uitkering af en vorderde onterecht betaalde voorschotten terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens te late indiening, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij het eerste besluit nooit had ontvangen, een stelling die door het UWV niet kon worden weerlegd vanwege het ontbreken van een verzendadministratie. De Raad oordeelde dat het beroep tegen het eerste besluit daarom ontvankelijk moest worden verklaard.
Inhoudelijk oordeelde de Raad dat het UWV de medische beperkingen van appellante niet had onderschat en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties passend waren. De Raad bevestigde dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering en dat de terugvordering van voorschotten terecht was, omdat geen dringende redenen tot kwijtschelding waren aangetoond.
De Raad vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het eerste besluit, verklaarde het beroep daarop ongegrond, bevestigde het oordeel over het tweede besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit wordt ontvankelijk verklaard maar ongegrond, het beroep tegen het tweede besluit wordt bevestigd; de WIA-uitkering is terecht geweigerd en het voorschot correct teruggevorderd.