ECLI:NL:CRVB:2012:BY0599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WW-uitkering wegens niet-nakoming sollicitatieplicht
Appellant ontving vanaf 1 september 2009 een WW-uitkering en had afspraken gemaakt in een re-integratieplan waarin stond dat hij drie sollicitaties per week moest verrichten. Het UWV constateerde dat appellant in de periode van 5 augustus tot 7 september 2010 onvoldoende had gesolliciteerd en legde een maatregel op door de uitkering met 25% te verlagen.
Appellant maakte bezwaar en overhandigde een lijst met veertien sollicitaties, maar het UWV oordeelde dat deze niet concreet en verifieerbaar waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij mondeling had gesolliciteerd, wat in zijn sector gebruikelijk is.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd; de maatregel had moeten steunen op artikel 26 WW Pro in plaats van artikel 24 WW Pro. Ondanks de vernietiging van het besluit liet de Raad de rechtsgevolgen in stand omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan zijn sollicitatieplicht had voldaan. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WW-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.