ECLI:NL:CRVB:2012:BX1600

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3107 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.4 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening studiefinanciering na beëindiging inschrijving door onderwijsinstelling

Appellant had studiefinanciering ontvangen voor een opleiding aan het ROC Koning Willem I. Na beëindiging van zijn inschrijving per 23 februari 2010, herzag de Minister het recht op studiefinanciering en vorderde een bedrag terug.

Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening en terugvordering, stellende dat zijn uitschrijving onrechtmatig was vanwege gezondheidsredenen en dat de Minister de rechtmatigheid van de uitschrijving had moeten onderzoeken. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Minister bevoegd was tot terugvordering omdat appellant niet meer ingeschreven was voor een voltijdsopleiding.

In hoger beroep bevestigt de Raad dat het recht op studiefinanciering gekoppeld is aan inschrijving en dat de Minister niet hoeft te onderzoeken of de uitschrijving terecht was. De uitschrijving is een zaak tussen onderwijsinstelling en student. De terugvordering is een verplichting voortvloeiend uit de herziening. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van studiefinanciering en de terugvordering wegens beëindiging van de inschrijving.

Uitspraak

11/3107 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2011, 10/1750 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 13 juli 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader H.J. Woltering. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.
OVERWEGINGEN
1.1. In deze procedure is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep). Sinds 1 januari 2010 is de Minister de rechtsopvolger van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
1.2. Appellant heeft in 2009 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aangevraagd voor zijn opleiding aan het ROC Koning Willem I in ’s-Hertogenbosch.
1.3. De Minister heeft de aanvraag op basis van de door appellant verstrekte gegevens bij besluit van 6 juni 2009 gehonoreerd, in die zin dat aan appellant met ingang van 1 oktober 2009 een toelage is toegekend. Bij besluit van 29 oktober 2009 is deze toekenning voor 2010 geprolongeerd.
1.4. Bij brief van 24 april 2010 heeft de Minister appellant meegedeeld van de school nog geen bevestiging te hebben ontvangen dat appellant aan een van de aldaar verzorgde opleidingen vanaf 1 maart 2010 ingeschreven was.
1.6. Bij besluit van 17 juli 2010 heeft de Minister de toekenning van studiefinanciering aan appellant vanaf 1 maart 2010 herzien en van appellant een bedrag van € 301,56 teruggevorderd.
1.7. Appellant heeft tegen de herziening en terugvordering bezwaar gemaakt op de grond dat de uitschrijving wegens gezondheidsredenen per 1 maart 2010 onrechtmatig was, dat de Minister de rechtmatigheid van de uitschrijving had moeten onderzoeken, en dat hij zijn recht op studiefinanciering wenst te behouden. De Minister heeft dit bezwaar bij besluit van 17 november 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat appellant op 23 februari 2010 is uitgeschreven voor de door hem gevolgde opleiding, zodat gelet op de toepasselijke bepalingen in de Wsf 2000 met ingang van 1 maart 2010 geen recht meer bestaat op studiefinanciering.
2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat niet in geschil is dat appellant vanaf 1 maart 2010 niet was ingeschreven voor een voltijdsopleiding zodat hij geen recht had op studiefinanciering. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Minister daarom bevoegd was de te veel betaalde studiefinanciering terug te vorderen.
3. Appellant heeft in hoger beroep, net als in de procedure die tot de aangevallen uitspraak heeft geleid, aangevoerd dat de Minister niet tot herziening en terugvordering had mogen overgaan omdat appellants inschrijving ten onrechte wegens gezondheidsredenen door de school is beëindigd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Voor zover het de herziening van de aan appellant betaalde studiefinanciering betreft ziet de Raad geen reden anders te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan en hij sluit zich in zoverre aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het recht op studiefinanciering is immers gekoppeld aan de inschrijving. Nu de aanvankelijke inschrijving van appellant op 23 februari 2010 ongedaan is gemaakt – ongeacht of dat in het onderhavige geval terecht of onterecht is gebeurd – bestaat er geen recht op studiefinanciering.
4.2. Anders dan appellant meent hoeft de Minister bij de vraag of hij tot herziening van het recht op studiefinanciering kan overgaan, niet te onderzoeken of de inschrijving terecht en op juiste gronden is beëindigd. In navolging van de rechtbank wijst de Raad er in dit verband op dat – zoals ook blijkt uit vaste rechtspraak van de Raad – de uitschrijving als student een zaak is tussen de onderwijsinstelling en de student, in dit geval appellant. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 15 april 2005, LJN AT4068, en 12 januari 2007, LJN AZ6731. Appellant dient zich dus tot het ROC te wenden als hij het niet eens is met de uitschrijving en/of de daaraan ten grondslag gelegde reden(en).
4.3. Met betrekking tot de terugvordering van de aan appellant betaalde studiefinanciering wijst de Raad erop dat deze, anders dan de rechtbank heeft overwogen, gelet op het bepaalde in artikel 7.4 van de Wsf 2000 niet een bevoegdheid betreft, maar een uit de herziening voortvloeiende verplichting.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, zij het met enige verbetering van gronden, worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2012.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.R. Baas
CVG