ECLI:NL:CRVB:2012:BW4770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens schending inlichtingenplicht over onroerende goederen
Appellanten ontvingen bijstand tot april 2006, waarna deze werd beëindigd wegens remigratie. Uit onderzoek bleek dat zij sinds 2002 eigenaar waren van onroerende goederen, waaronder een woning, een weide en een akker, zonder dit te melden aan het college. Dit was in strijd met de inlichtingenverplichting uit de WWB.
Het college trok de bijstand over de periode 2002-2006 in en vorderde de kosten terug, omdat de waarde van het bezit boven de vrijlatingsnorm lag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten voerden aan dat zij niet wisten dat zij melding moesten maken en dat de waarde van het onroerend goed onduidelijk was.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenplicht objectief is en dat appellanten bij twijfel contact hadden moeten zoeken met het college. Zij slaagden er niet in aannemelijk te maken dat zij recht hadden op bijstand als zij wel hadden gemeld. De waarde van de onroerende goederen in de periode bleef onduidelijk door hun schending van de informatieplicht.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over onroerende goederen.