ECLI:NL:CRVB:2011:BU3829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boete en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht detentie
Appellant ontving vanaf 1 december 2008 een WW-uitkering. Tijdens een detentieperiode van 13 februari tot 10 mei 2009 heeft appellant nagelaten het UWV te informeren, ondanks dat hij zijn toenmalige vriendin had gevraagd dit te doen. Deze vriendin heeft de melding niet gedaan en heeft bovendien de uitkering tijdens de detentie van appellant van zijn rekening gehaald.
Het UWV herzag en trok de WW-uitkering over de detentieperiode in en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag van € 3.898,65 terug. Tevens legde het UWV een boete op van € 390 wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel deels.
De Raad oordeelt dat geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien. Wel acht de Raad de boete van € 370 te hoog en verlaagt deze naar € 52. Appellant wordt objectief en subjectief verweten de inlichtingenplicht te hebben geschonden, maar het voordeel van de uitkering heeft hij niet genoten omdat zijn vriendin de uitkering heeft opgenomen. De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt verlaagd naar € 52 en het beroep wordt gegrond verklaard.