Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3997

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5416 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:52 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening van bestuursrechtelijke uitspraak over vrij te laten uren

Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 2009, waarin het UWV terecht geen aanleiding zag voor het aannemen van vrij te laten uren. Verzoeker stelde dat hij al sinds 1988 werkzaamheden als dagbladbezorger verrichtte naast fulltime dienstverbanden, wat volgens hem een nieuw feit was.

De Raad overwoog dat het rechtsmiddel van herziening alleen kan worden toegepast op feiten die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, die bij de verzoeker niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn, en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Uit de beoordeling bleek dat het aangevoerde feit niet als nieuw kon worden beschouwd, omdat het verzoeker bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.

Daarom werd het verzoek om herziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 mei 2011.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen omdat het aangevoerde feit niet nieuw was en redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.

Uitspraak

10/5416 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 2009, 08/1667 WW
in het geding in hoger beroep tussen:
verzoeker
en
de Raad van bestuut van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2011.
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend van de uitspraak van de Raad van 29 april 2009, 08/1667 WW en daarbij verzocht om het verzoek met toepassing van artikel 8:52 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.
De Raad heeft het verzoek om versnelde behandeling toegewezen.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Janssen-Niehof.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Verzoeker heeft de Raad verzocht overweging 5.2 van genoemde uitspraak van 29 april 2009 te herzien. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien voor het aannemen van zogenoemde vrij te laten uren. Verzoeker heeft aangevoerd dat die conclusie onjuist is, omdat uit het dossier blijkt dat hij al vanaf 1988 werkzaamheden als dagbladbezorger verrichtte naast fulltime dienstverbanden.
1.2. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat wat verzoeker heeft aangevoerd niet kan worden gezien als een nieuw feit in de zin van artikel 8:88 van Pro de Awb.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zijn bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2. Uit vaste rechtspraak van de Raad blijkt dat het rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen. Het strekt er in beginsel toe om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraken van 3 oktober 2003, LJN AN7982 en 19 november 1998, LJN ZB8180.
2.3. Het door verzoeker naar voren gebrachte feit dat uit het dossier blijkt dat hij al vanaf 1988 werkzaamheden als dagbladbezorger verrichtte naast fulltime dienstverbanden kan niet kan worden gezien als een feit dat bij hem vóór de uitspraak niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn. Aan de onder b van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde voorwaarde is daarom niet voldaan. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek om herziening.
3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende;
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) T.J. van der Torn.
EK