ECLI:NL:CRVB:2010:BO3642

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6519 WSF-T
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 lid 6 BeroepswetArt. 6.7 lid 1 Wet studiefinanciering 2000Art. 6.18 lid 1 Wet studiefinanciering 2000Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt niet-ontvankelijkverklaring bezwaar voortduren aflosperiode studielening

Appellante maakte bezwaar tegen het Bericht Terugbetalen 2009 waarin de Minister mededeelde dat sprake was van achterstallige termijnen en het voortduren van de aflosperiode van haar studielening. De Minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het Bericht geen besluit zou bevatten over het einde van de aflosperiode en de kwijtschelding van de restantschuld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het Bericht geen wijzigingen in de schuldomvang bracht en dat de argumenten van appellante niet tot een ander oordeel leidden. In hoger beroep handhaafde de Minister dit standpunt, met verwijzing naar de startdatum van de aflosfase en een opschorting wegens schuldsanering.

De Raad oordeelt dat het Bericht Terugbetalen 2009 wel gericht is op rechtsgevolgen omtrent de duur van de aflosperiode en het voortbestaan van de schuld. Het bezwaar was ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Omdat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om zelf te voorzien, draagt de Raad de Minister op binnen zes weken een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellante.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt vernietigd en de Minister wordt opgedragen een inhoudelijk besluit te nemen.

Uitspraak

09/6519 WSF-T
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
T U S S E N U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2009, 09/946 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-groep).
Datum uitspraak: 3 november 2010
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over besluiten die zijn genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Appellante is niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij Bericht Terugbetalen 2009 van 6 januari 2009 heeft de Minister aan appellante medegedeeld dat sprake is van achterstallige termijnen en dat in verband hiermee de deurwaarder is ingeschakeld. Voorts is een overzicht gegeven van de hoogte van de schuld op 1 december 2008 en op 1 januari 2009, is het maandelijkse aflossingsbedrag vanaf 1 januari 2009 vastgesteld en is het rentepercentage medegedeeld.
1.2. Bij bezwaarschrift, gedateerd 6 februari 2009, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de invordering van de lening via loonbeslag per 1 januari 2009 omdat zij van mening is dat zij op die datum reeds 15 jaar heeft afgelost en de restantschuld derhalve teniet is gegaan per 1 januari 2009.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 5 maart 2009 heeft de Minister het bezwaar gericht geacht tegen het Bericht Terugbetalen 2009. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet gericht is tegen een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aangezien in het bestreden Bericht geen beslissing is vervat ten aanzien van het einde van de terugbetalingsperiode en de kwijtschelding van de restantschuld.
1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (o.m. de uitspraak van 8 februari 2008, LJN BC4503) het Bericht Terugbetalen 2009 voor wat betreft de omvang van de schuld geen wijzigingen met zich brengt. De argumenten van appellante ten aanzien van het loonbeslag en haar financiële situatie doen hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.
2.1. In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat zij bezwaar maakt tegen de (voortzetting van de) invordering per 1 januari 2009. De restantschuld per 1 januari 2009 zou moeten worden kwijtgescholden nu zij per die datum 15 jaar lang heeft afgelost.
2.2. Bij het verweerschrift heeft de Minister het standpunt gehandhaafd dat het Bericht Terugbetalen 2009 geen besluit bevat ten aanzien van het einde van de terugbetalingsperiode en het tenietgaan van de restantschuld. Voorts is uiteengezet dat de aflosfase van de desbetreffende lening op 1 februari 1996 is begonnen en dat de terugbetalingsverplichting voor 3 jaren is opgeschort in verband met een schuldsanering. Hierdoor eindigt de terugbetalingsperiode op haar vroegst op 31 januari 2014.
3.1. De Raad overweegt het volgende.
3.2. Bij het Bericht Terugbetalen 2009 is (onder meer) de omvang van de schuld per 1 januari 2009 vermeld en de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting per 1 januari 2009. Hiermee is naar het oordeel van de Raad impliciet ook vastgesteld dat de aflosperiode op 1 januari 2009 nog niet is geëindigd op grond van artikel 6.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en dat er op die datum nog geen sprake is van tenietgaan van de restantschuld op grond van artikel 6.18, eerste lid, van de Wsf 2000. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 1 november 2007 (LJN BB8069), in welke zaak de appellant, evenals appellante in het onderhavige hoger beroep, in de veronderstelling verkeerde dat hij zijn schuld had afgelost. Bij het desbetreffende Bericht Terugbetalen werd in de visie van de appellant dan ook ten onrechte melding gemaakt van het bestaan van een schuld. De Raad heeft in de uitspraak van 1 november 2007 geoordeeld dat het desbetreffende Bericht Terugbetalen wel degelijk gericht is op rechtsgevolg ten aanzien van de omvang van de schuld. In het thans aanhangige hoger beroep acht de Raad, naar analogie, het Bericht Terugbetalen 2009 gericht op rechtsgevolg ten aanzien van de duur van de aflosperiode en de daarmee samenhangende datum van tenietgaan van de restantschuld. De Minister heeft zijn standpunt onderbouwd met een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
9 december 2005 (LJN AU8640). Deze zaak verschilt echter, wezenlijk van de onderhavige, nu in het hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 9 december 2005 de Minister eerdere besluiten had genomen ten aanzien van de duur van de aflosfase. In het thans aanhangige hoger beroep is, zoals is bevestigd door de Minister in zijn schrijven van 23 april 2010, geen sprake van een eerder besluit ten aanzien van de duur van de aflosfase en/of de kwijtschelding van de restantschuld. Dit betekent dat het bezwaar van appellante tegen het Bericht Terugbetalen 2009 van 6 januari 2009, voor zover daarbij is besloten ten aanzien van het voortduren van de aflosperiode en het voortbestaan van de schuld, bij het besluit van 5 maart 2009 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, zodat dit besluit zal moeten worden vernietigd.
3.3. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt de Raad voorop, dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in, dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.
3.4. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de Minister op te dragen het gebrek in het besluit van 5 maart 2009 te herstellen. De Minister dient hiertoe een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Draagt de Minister op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit op bezwaar van 5 maart 2009 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M. Mostert.
IvR