ECLI:NL:CRVB:2010:BM5211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens onjuiste vermogensvaststelling
Appellant ontving sinds 1 december 2003 bijstand op grond van de WWB, waarbij zijn vermogen destijds was vastgesteld op € 3.243,73. Na de nalatenschap van zijn overleden vader in 2004 herzag het College de bijstand en vorderde een bedrag van € 10.992,14 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het College bij de oorspronkelijke vaststelling van zijn vermogen ten onrechte geen rekening hield met zijn schuld aan Eneco en andere schulden. Tevens betwistte hij de juiste bekendmaking van het toekenningsbesluit. De Raad oordeelde dat het besluit tot toekenning van bijstand wel bekend was gemaakt en dat appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt, maar dat dit hem niet kan worden tegengeworpen bij een latere vermogensvaststelling.
De Raad stelde vast dat appellant aannemelijk had gemaakt dat de schuld aan Eneco bestond en dat deze ten onrechte buiten beschouwing was gelaten. Schulden aan particulieren waren onvoldoende onderbouwd. Gezien deze onjuiste vermogensvaststelling vernietigde de Raad het besluit tot terugvordering en beval een nieuw besluit op bezwaar. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onjuiste vermogensvaststelling en het College moet een nieuw besluit nemen.