ECLI:NL:CRVB:2010:BM3879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant, die sinds maart 2005 wegens nek- en schouderklachten niet meer kon werken, vroeg een WIA-uitkering aan. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en werd opnieuw onderzocht, waarbij het bezwaar werd gegrond verklaard en recht op een WGA-uitkering werd toegekend.
Appellant ging in beroep tegen dit besluit en voerde aan dat de behandelend sector onvoldoende was geraadpleegd over zijn psychische klachten en dat zijn opleidingsniveau onjuist was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts de richtlijnen had gevolgd en voldoende onderzoek had verricht.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren. De Raad overwoog dat er geen aanleiding was om aanvullende informatie in te winnen over de psychische klachten, dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het opleidingsniveau van appellant terecht was vastgesteld op niveau 2, wat overeenkomt met eind basisonderwijs en enige jaren vervolgonderwijs, ongeacht dat dit in het buitenland was gevolgd.
De Raad concludeerde dat appellant in staat moet worden geacht om bepaalde functies te vervullen en dat de belastbaarheid niet werd overschreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering.