ECLI:NL:CRVB:2015:4867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering per 24 januari 2012 te beëindigen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV voldoende was.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onzorgvuldig en vooringenomen had gehandeld, en dat haar fysieke en psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen. Zij verzocht tevens om benoeming van een deskundige vanwege onduidelijkheid over haar psychische klachten. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad overwoog dat de rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zorgvuldig en concludent waren en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze onjuist waren. De medische beoordeling was goed gemotiveerd en er was geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst. Ook de arbeidskundige beoordeling was juist, waarbij het opleidingsniveau 2 passend werd geacht.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep geen doel treft en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De WIA-uitkering is terecht beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.