ECLI:NL:CRVB:2008:BE8706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging indicatie verblijf langdurig ondanks betwisting contra-indicatie
Appellante, geboren in 1925, heeft sinds een herseninfarct in 1994 diverse gezondheidsproblemen waaronder verlammingsklachten en mentale achteruitgang. Zij ontving zorg via haar zoon en later via een persoonsgebonden budget (PGB). Na een val en heupoperatie in 2006 vroeg zij herindicatie aan. Het CIZ wees haar toe op verblijf langdurig, wat zij betwistte omdat zij thuis wilde blijven wonen en vond dat zij recht had op 24-uurszorg thuis.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medisch adviseur van het CIZ oordeelde dat er geen contra-indicatie voor verblijf langdurig was en dat een individuele benadering ook binnen een verpleeghuis mogelijk is. Appellante voerde hoger beroep aan met een aanvullende verklaring van haar neuroloog Verhey, die stelde dat opname haar geestelijke gezondheid ernstig zou schaden.
De Raad stelde vast dat het geschil uitsluitend ging over de vraag of er een contra-indicatie voor verblijf langdurig bestond. De Raad oordeelde dat het CIZ terecht had geoordeeld dat appellante redelijkerwijs was aangewezen op verblijf langdurig, omdat de zorg noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een beschermende woonomgeving of permanent toezicht. De verklaringen van Verhey gaven geen voldoende grond voor een contra-indicatie, omdat een individuele benadering ook binnen een instelling mogelijk is.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het CIZ en de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd benadrukt dat de indicatiestelling en de daadwerkelijke zorgverstrekking gescheiden taken zijn, waarbij het CIZ alleen bevoegd is tot indicatiestelling. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellante terecht is geïndiceerd voor verblijf langdurig zonder contra-indicatie.