ECLI:NL:CRVB:2006:AX9316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, die sinds 1988 arbeidsongeschikt was verklaard wegens rug- en depressieve klachten, kreeg haar WAO-uitkering ingetrokken per 23 oktober 2002 na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat geen nieuwe medische feiten vaststelde. In bezwaar en hoger beroep werd betwist of de medische beoordeling correct was, mede aan de hand van rapporten van het Instituut Psychosofia die afwijkende conclusies trokken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken van Mathey-Groeneveld en Dekhuijzen, die de arbeidsmogelijkheden van appellante onderzochten, juist en volgens de reguliere medische standaarden waren uitgevoerd. De alternatieve rapporten van Psychosofia werden niet als voldoende betrouwbaar erkend omdat zij niet voldeden aan de reguliere medische criteria.
De Raad stelde vast dat er geen nieuwe medische feiten of aanvullend onderzoek waren die een hogere mate van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden. Ook werd geen betekenis toegekend aan niet nader onderbouwde diagnoses zoals sikkelcelanemie. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarmee de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd bleef.
De uitspraak benadrukt het belang van medische onderbouwing volgens reguliere zorgstandaarden bij herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid en bevestigt de jurisprudentie dat alternatieve medische rapporten niet zonder meer tot andere conclusies leiden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing.