ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4989 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BpbArt. 2 lid 3 BpbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vergoeding kosten rapportage tijdens bezwaarprocedure

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het UWV werd vrijgesteld van het vergoeden van kosten verbonden aan een rapportage van het Instituut Psychosofia (IP) tijdens de bezwaarprocedure.

De Raad heeft overwogen dat de rapporten van IP niet kwalificeren als deskundigenrapporten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het UWV verwees naar vaste jurisprudentie die de Raad onderschrijft.

Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak dat de kosten van de rapportage niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om proceskosten toe te kennen.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 27 oktober 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de kosten van de rapportage door Instituut Psychosofia te vergoeden.

Uitspraak

04/4989 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2004, 04/1649 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 oktober 2006
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006 waar beide partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Het hoger beroep ziet uitsluitend op de weigering van het Uwv om een vergoeding toe te kennen voor de kosten verbonden aan de werkzaamheden door het Instituut Psychosofia (hierna: IP) tijdens de bezwaarprocedure.
Met betrekking tot de proceskostenvergoeding betwist gemachtigde van appellant hetgeen het Uwv heeft opgemerkt over de positie van mevrouw Verhage van IP als deskundige in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Appellant verzoekt de Raad het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten terzake van de rapportage van mevrouw Verhage van IP.
Het Uwv stelt in haar verweerschrift dat het hoger beroep een herhaling kent van reeds bekende argumenten en dat deze argumenten wederom geen aanleiding vormen om zijn standpunt te wijzigen. Verder heeft het Uwv volstaan met verwijzing naar rechtspraak van de Raad, onder meer zijn uitspraak van 13 april 2005 LJN: AT4323.
De Raad ziet geen aanleiding van zijn vaste jurisprudentie af te wijken
Onder verwijzing naar bovengenoemde uitspraak en zijn uitspraak van 13 juni 2006, LJN: AX9316, stelt de Raad vast dat ook in dit geval de rapporten van IP niet zijn aan te merken als rapporten van een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Evenmin vallen deze rapporten onder artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De met het uitbrengen van die rapporten gemoeide kosten komen dan ook niet voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb in aanmerking.
Voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb ziet de Raad geen grond, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als daar bedoeld.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.J. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
BKH 06100