ECLI:NL:CRVB:2006:AV9374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling terugvordering en betalingsregeling op grond van de Werkloosheidswet
De zaak betreft een geschil over de terugvordering van onverschuldigde WW-uitkeringen aan gedaagde over de periode van 1994 tot 1997. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had een bedrag van ruim € 15.000 teruggevorderd wegens niet gemelde werkzaamheden. Na een eerdere betalingsregeling werd in 2004 een nieuwe regeling vastgesteld waarbij gedaagde maandelijks € 371,38 moest betalen, gebaseerd op zijn aflossingscapaciteit.
De rechtbank had dit besluit vernietigd omdat zij oordeelde dat een bedrag van € 300 dat gedaagde maandelijks aan een kredietverstrekker betaalde, ten onrechte niet als betalingsregeling was meegewogen en dat het verplichte overleg niet voldoende was gevoerd. In hoger beroep stelt appellant dat een doorlopend krediet geen betalingsregeling is en dat het overleg met gedaagde wel degelijk heeft plaatsgevonden.
De Raad stelt vast dat de wijze van invordering en de betalingsregeling in overeenstemming zijn met artikel 36a en 36b van de WW en het Besluit Tica. De Raad volgt de rechtbank niet in het gelijkstellen van het doorlopend krediet aan een betalingsregeling en oordeelt dat het overleg met gedaagde voldoende was, omdat hij de gelegenheid heeft gehad een voorstel te doen.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant ongegrond. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De beslissing bevestigt dat de betalingscapaciteit van gedaagde juist is vastgesteld en dat de wijziging van de betalingstermijn geen kennelijke hardheid oplevert.
Uitkomst: De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde betalingsregeling van € 371,38 per maand.