ECLI:NL:CRVB:2016:2941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verrekening WW-uitkering met terugvordering ondanks eerdere betalingsafspraak
Appellant ontving een WW-uitkering die door het UWV werd teruggevorderd wegens onterecht ontvangen uitkeringen in 2012. Het UWV legde een beslag op de uitkering en stelde een beslagvrije voet vast van €1.073,-. Ondanks een eerdere afspraak tussen appellant en het UWV om maandelijks €150,- af te lossen, besloot het UWV een hoger bedrag van €159,92 per week te verrekenen met de schuld.
Appellant maakte bezwaar tegen deze verrekening, stellende dat de afspraak en het beslag niet naast elkaar mochten plaatsvinden. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het UWV bevoegd was tot deze verrekening.
De Raad benadrukte dat het UWV op grond van de WW en de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen bevoegd is om de schuld te verrekenen met de uitkering, rekening houdend met de beslagvrije voet. De eerdere betalingsafspraak vormt geen belemmering voor het wijzigen van de betalingstermijnen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WW-uitkering heeft verrekend met de terugvordering ondanks de eerdere betalingsafspraak.