ECLI:NL:CRVB:2005:AT4112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens niet-rechtmatig verblijf niet in strijd met internationale verdragen
De zaak betreft het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het besluit tot weigering van kinderbijslag aan gedaagde vernietigde. Gedaagde had geen recht meer op kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 1998 omdat zij niet langer als verzekerd werd aangemerkt ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), na invoering van de Koppelingswet die het recht op kinderbijslag koppelt aan rechtmatig verblijf.
De rechtbank had geoordeeld dat gedaagde met instemming van de overheid een zekere mate van inburgering had verworven en dat het besluit tot weigering daarom niet gerechtvaardigd was. De Raad overweegt echter dat gedaagde op 1 juli 1998 niet rechtmatig in Nederland verbleef en daarom niet verzekerd was volgens de AKW. De Raad stelt vast dat de weigering niet strijdig is met artikel 26 IVBPR Pro, artikel 8 EVSZ Pro en artikel 14 EVRM Pro.
Het beroep op andere internationale verdragen, zoals het Europees Sociaal Handvest en het Verdrag inzake de rechten van het kind, wordt eveneens verworpen. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het inleidend beroep ongegrond. De zaak bevestigt de rechtmatigheid van de Koppelingswet en de toepassing daarvan op vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.
Uitkomst: De weigering van kinderbijslag wegens niet-rechtmatig verblijf wordt bevestigd en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.