ECLI:NL:CRVB:2002:AF9475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering en toepassing CAO versus Wet Flexibiliteit en Zekerheid
In deze zaak staat de lengte van de fictieve opzegtermijn zoals bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet (WW) centraal. Gedaagde was sinds 1986 in dienst bij haar werkgever en kreeg de arbeidsovereenkomst ontbonden met een vergoeding. Appellant, het UWV, stelde dat de fictieve opzegtermijn gebaseerd moest worden op een langere termijn uit de toepasselijke CAO, waarbij rekening werd gehouden met de overgangsbepaling van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Wet F en Z).
De rechtbank vernietigde het besluit van appellant omdat zij oordeelde dat de overgangsbepaling van artikel XXI van de Wet F en Z buiten beschouwing moest blijven bij de berekening van de fictieve opzegtermijn. De rechtbank vond dat deze bepaling niet als verlenging van de wettelijke opzegtermijn kon worden beschouwd en dat het besluit van appellant daarom onvoldoende gemotiveerd was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat artikel XXI van de Wet F en Z niet in aanmerking mag worden genomen bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn voor het recht op WW-uitkering. De Raad stelt dat de verwijzing in artikel 16, derde lid, van de WW uitsluitend naar artikel 7:672 BW Pro gaat, inclusief het vijfde lid dat schriftelijke verlenging via CAO toestaat. De CAO-bepaling die verwijst naar de overgangsbepaling van de Wet F en Z moet buiten beschouwing blijven omdat die geen zelfstandige verlenging inhoudt.
De Raad concludeert dat appellant terecht is uitgegaan van de opzegtermijn van 20 weken zoals bepaald in de CAO zonder de overgangsbepaling mee te nemen, en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.