ECLI:NL:CRVB:2002:AF1656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van fictieve opzegtermijn van zes maanden op basis van CAO bij WW-uitkering
Appellant, sinds 1968 in dienst bij zijn werkgever, kreeg bij ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst een vergoeding toegekend. Bij de aanvraag van een WW-uitkering stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de fictieve opzegtermijn op zes maanden, gebaseerd op de toepasselijke CAO. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde de termijn op vijf maanden vanwege een maand aftrek (RDA-maand) in verband met de ontbinding.
Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de opzegtermijn volgens het Burgerlijk Wetboek (BW) vier maanden zou moeten zijn, minus de RDA-maand, waardoor de fictieve opzegtermijn korter zou zijn. De Raad overwoog dat de fictieve opzegtermijn conform artikel 16, derde lid, van de WW moet worden vastgesteld rekening houdend met zowel wettelijke termijnen als afwijkingen in individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten, mits binnen de grenzen van artikel 7:672 BW Pro.
De Raad concludeerde dat het Uwv terecht uitging van de zes maanden zoals bepaald in de CAO, en dat het bestreden besluit terecht het bezwaar ongegrond verklaarde. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd voor zover deze werd aangevochten. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de fictieve opzegtermijn zes maanden bedraagt conform de CAO, met aftrek van de RDA-maand, en verklaart het hoger beroep ongegrond.